Bezielde materie in Kröller-Müller

Soms geeft schrijven in opdracht een onverwachts gevoel van vrijheid. Wanneer je op een winterse decemberdag een wandeling maakt door een bevroren beeldentuin, bijvoorbeeld. Met de museumdirecteur die daar alle tijd van de wereld voor uittrekt. Genietend stapte ik door gestolde tijd in het park van het Kröller-Muller Museum met Evert van Straaten voor het jaarverslag van de BankGiroLoterij.


BEZIELDE MATERIE IN HET KRÖLLER-MÜLLER MUSEUM 

Een paradijs waar je tot rust kunt komen en waar kunst oproept tot reflectie. Dat en niets minder wil het Kröller-Müller Museum zijn. Gelegen temidden van de prachtige natuur op de Hoge Veluwe zijn de omstandigheden daartoe ideaal. “Als mensen hier het idee hebben dat de tijd even is gestold, dan zou ik dat prachtig vinden”, zegt directeur Evert van Straaten.

Een lichte opgewondenheid maakt zich meester over veel bezoekers zodra zij het Nationale Park De Hoge Veluwe betreden op weg naar het Kröller-Müller Museum. Het is niet alleen de betoverende sfeer van de natuur. Of de belofte van de Van Goghs in het Kröller-Müller Museum of de sculpturen in de beeldentuin. Het is vooral de herinnering aan dat eerste bezoek als klein kind, crossend op de gratis witte fietsen door het park, rennend door Jardin d’émail van Jean Dubuffet, genietend van die kunst die nu eens niet saai, maar indrukwekkend en soms zelfs aanraakbaar of begaanbaar was. 
“Ja, dat is typisch voor ons museum”, beaamt museumdirecteur Evert van Straaten, tijdens de ontvangst in zijn werkkamer. “Voor veel mensen is het eerste bezoek een heel levende en dierbare herinnering.”

Evert van Straaten studeerde in 1973 af als kunsthistoricus en promoveerde in de jaren negentig op een proefschrift over Theo van Doesburg. Rode draad in zijn loopbaan is zijn interesse in de fysieke kant van de kunst en vooral het omgaan met de vergankelijkheid van deze bezielde materie. Voor zijn aantreden in 1990 bij het Kröller-Müller beheerde hij de rijkscollectie moderne kunst en vormgeving in Den Haag. 
Vanuit zijn werkkamer in de door architect Wim Quist in 1970 ontworpen aanbouw van het museum, blikken we door de glazen gevel op de beeldentuin. Een magnifiek en rustgevend uitzicht.
Stilte, inspiratie, bezieling dat is waartoe een bezoek aan het Kröller-Müller Museum uitnodigt. Het wordt niet voor niets het museum voor beeldende kunst in de stilte genoemd, of het toevluchtsoord voor zoekers van rust en authenticiteit. “Dat spirituele is voor ons heel erg wezenlijk”, vertelt Van Straaten, “Het museum en vooral de tuin is een soort behouden paradijs waarbinnen de combinatie van kunst en natuur je wijst op de waarde van reflectie.” Met de veelgemaakte vergelijking van musea met tempels en kunst als vorm van religie, is in het geval van het Kröller-Müller niets te veel gezegd, meent Van Straaten. 

Gestolde tijd
Hij wil een atmosfeer creëren, waarin je de tijd kunt nemen om de aandacht op te brengen voor kunst. “Je moet het op je in kunnen laten werken. In die zin vertragen wij de tijd een beetje. Als mensen die hier geweest zijn het idee hebben dat de tijd even is gestold, dan zou ik dat prachtig vinden.”
Van Straaten noemt het visionair dat het echtpaar Anton en Helene Kröller-Müller al in het begin van de twintigste eeuw voorspelde dat de mensheid in de toekomst behoefte zou hebben aan een bijzondere plek om tot jezelf te komen en om die reden Otterlo uitkoos als locatie voor woonhuis en museum. In 1920 werd het door Berlage ontworpen en nu te bezichtigen jachthuis opgeleverd, in 1938 opende het museum haar deuren, in 1961 opende de 25 hectare grote beeldentuin (één van de grootste van Europa). Basis van de vaste collectie vormt de collectie hedendaagse kunst die het echtpaar Kröller-Müller in het eerste kwart van de twintigste eeuw verzamelde.
De locatie, midden in wat nu het Nationale Park De Hoge Veluwe is, draagt in alle opzichten bij aan dat gevoel van rust. Te midden van prachtige natuur, maar vooral ook ver weg van de hectiek van de randstad. “Je gaat niet even naar het Kröller-Müller tijdens het boodschappen doen”, merkt Van Straaten op. “De tocht hiernaartoe is al bijna een pelgrimage. Je moet door de natuur en eenmaal op ons terrein kom je in een soort enclave, een toonbeeld van harmonie tussen kunst, natuur en mens.”
Tegelijkertijd levert de locatie extra drempels op voor bezoekers. Lastig bereikbaar met het openbaar vervoer en relatief duur doordat bovenop de zeven euro voor het museum een toegangsprijs van zeven euro voor het Nationale Park komt. Bovendien signaleert Van Straaten een toenemende hang van het publiek naar entertainment, naar het onderhouden worden. Maar hij kiest ervoor niet aan dit soort vormen van verstrooiing mee te doen. “Ons museum doet bewust meer een beroep op intellectuele vermogens, het museum is een product van het idee van mevrouw Kröller-Müller dat je de mens naar een hoger niveau van beschaving moet brengen. Een bildungs-ideaal. Moeilijke kunst moet!” 
Als voorbeeld kan wellicht het lichtgrijze betonnen werk van de Pool Miroslaw Balka dienen waar we later buiten langs wandelen. Dicht tegen de muur van het museum geplaatst, doet het op het eerste gezicht denken aan een urinoir met scheidingsschotten en straalt het een benauwende kilte uit. In werkelijkheid gaat het werk over menselijke verhoudingen, bescherming en warmte. Wie in het werk stapt, voelt dat warm water de steen van binnenuit opwarmt tot lichaamstemperatuur. “Fascinerend”, vindt Van Straaten. Voor mij valt de lichte huivering die ik voelde bij het bezichtigen van dit werk op zijn plaats als ik in het boeiende boek over de beeldentuin dat in 2007 verscheen, lees hoe Balka de vorm van het werk ontleende aan de ‘muur des doods’ in Auschwitz. 

Zwoele zomeravonden
Geen makkelijk verteerbaar vermaak kortom in de beeldentuin. Al waren de succesvolle Zwoele Zomeravonden die het Kröller-Müller in 2007 voor het tweede jaar met steun van de BankGiro Loterij organiseerde, zeker niet zonder humor. Op diverse plekken waren alle mogelijke vormen van culturele ontspanning te vinden; muziek, theater, performances. Een knieval naar het entertainment is dit evenement absoluut niet, benadrukt Van Straaten: “De vormen worden op ongewone manier gemengd, onverwachte invalshoeken gekozen. Natuurlijk mag er ook gelachen worden, maar bezoekers worden toch meer uitgedaagd dan in een gewone theateromgeving.”
Ook de collectie van het Kröller-Müller zoekt duidelijk dat experiment. Naast de uitgebreide collectie met 180 tekeningen en 87 schilderijen van Van Gogh en werken van beroemde kunstenaars als Picasso, Renoir, Monet en Mondriaan is er volop werk te zien van hedendaagse kunstenaars. Het Kröller-Müller koestert wat in de marge is, wat zich als tegenbeweging ontwikkelt. 

Op de dag dat Evert van Straaten ons rondleidt door de beeldentuin zijn de omstandigheden ideaal om de gestolde tijd die hij nastreeft te ervaren. Het is één van de laatste dagen van 2007 en tuin en beelden liggen verscholen onder een klein bevroren wit laagje. Terwijl half Nederland de kerstinkopen doet, waant de spaarzame bezoeker zich alleen in dit paradijs van bevroren kunst en natuur. De handen in dikke wollen wanten gestoken, stevige rubber zolen onder de schoenen, een gestreepte sjaal om de hals, beent Evert van Straaten door de beeldentuin. Langs de vijver waarin in warmere tijden het beroemde beeld dat in de volksmond de zwaan heet – Sculpture flottante, Otterlo van Marta Pan – drijft. Dit beeld is nu naar binnen, andere beelden passeren we terwijl ze ingepakt in een ‘winterjas’ buiten overwinteren. Juist de kwetsbaarheid van deze kunst fascineert Van Straaten. “Door het diverse materiaalgebruik van kunstenaars en het tentoonstellen hiervan in de buitenlucht word je heel erg geconfronteerd met de eindigheid van dingen en sterfelijkheid. Je bent voortdurend bezig om te gaan met het verval.”
Van Straaten wijst op een kakiboom, die de Japanse kunstenaar Tatsuo Miyajima hier plantte. Het was een van de stekjes van de enige boom die het bombardement op Hiroshima heeft overleefd en die door de kunstenaar over de hele wereld zijn uitgezaaid. “Wij staan versteld van het feit dat hij echt vruchten is gaan dragen. Kijk er hangt er zelfs nu nog een. Mooi hè?”

We komen al snel bij één van zijn favoriete werken: Rocky Lumps van Tom Claassen. Het in 2006 met steun van de loterij verkregen beeld, ligt prachtig, pontificaal op het bevroren hoofdveld. Doordat we eerder in de werkkamer van Van Straaten al een foto van een bovenaanzicht zagen, is het mannetje makkelijk herkenbaar dat door losse stukken uitgeslepen wit gepigmenteerde stenen gevormd is. Enthousiast loopt de museumdirecteur tussen de brokstukken door. Gefascineerd veegt hij met zijn vinger een stukje wit bevroren douw van de even witte stenen af. “Het is net een doolhofje”, zegt hij. “Ik vind het ontzettend leuk om zo tussen die stukken te staan. Daarbij is het dan een extra als je je op een gegeven moment realiseert dat het een uit elkaar vallend mannetje is.” Zomers wordt er door bezoekers volop gepicknickt rondom en tegen het beeld aan en klimmen de kinderen over de op gepolijste kiezen lijkende stukken heen. Moet kunnen, vindt Van Straaten. 

Aldo van Eyck-paviljoen
Aangekomen via het Blauwsparrenlaantje aan de oostelijke grens van de beeldentuin staan we oog in oog met het wereldberoemde lichtgrijze Aldo van Eyck-paviljoen. Na het Rietveld-paviljoen, is dit de tweede parel in de verzameling architectuur van het Kröller-Müller. Van heinde en verre komen mensen het paviljoen bekijken. “Het was meteen de lieveling van het publiek”, weet Van Straaten die het paviljoen in 2005 met steun van de BankGiro Loterij wist te realiseren. Ontworpen in 1966 voor een tentoonstelling in het Sonsbeek-park in Arnhem begon de voorganger van Van Straaten al met een poging het paviljoen in Otterlo te reconstrueren. Het bleek een heel ingewikkeld traject om toestemming te krijgen voor een bebouwing op het terrein, de architect zelf stierf in de tussentijd. Maar nu lopen we dan toch door deze labyrintachtige compositie van evenwijdig lopende wanden met handronde uitstulpingen en doorgangen die diagonaal tegenover elkaar zijn geplaatst. Een groepje jongeren – studenten waarschijnlijk – bekijkt met interesse de vijftig beelden die Van Straaten uit het depot koos om hier te worden opgesteld. Van Straaten vertelt hoe Van Eyck een soort dorpsstructuur wilde bereiken met allemaal nauwe straatjes. Je moet inderdaad bijna de buik inhouden om sommige beelden te passeren. Van Straaten lacht: “Van Eyck riep wel eens tegen me dat ik tegen een beeld gewoon moest zeggen; ‘Pardon, mag ik er even langs’.” 

We passeren de intrigerende uitkijkpost Kijk uit attention van Krijn Giezen op de Franse berg, een twintig meter hoog stuifduin. Betonnen treden leiden tot op de top van de berg, gevolgd door een kleine houten trap die uitsteekt boven de boomtoppen. De hele Veluwe kun je van daaruit overzien, weet Van Straaten. Helaas is het verboden het kunstwerk te betreden, sinds er vorig jaar een scholier heel ongelukkig van de trap viel. 

Maar er is nog genoeg moois te zien. Zoals het met steun van de loterij verkregen indrukwekkende Echo van de Veluwe, dat de Nieuw Zeelander Chris Booth speciaal voor de beeldentuin maakte. Van Straaten vertelt honderduit over het gigantisch, 4 bij 7,5 meter metende en 25 ton wegende werk. Twee zomers lang werd er ter plaatse aan gewerkt. De enorme gestapelde stenen, prachtig van kleur en structuur lijken de zwaartekracht te tarten. Het werk golft tussen twee bomen in, het lijkt haast of de wind er mee speelt. Van Straaten roemt de verbondenheid met de geschiedenis die Booth in het werk heeft gelegd. De stenen zijn vanuit de IJstijd naar de Veluwe aangevoerd. Hoe boeiend en bewogen Van Straaten over elk detail van het werk en de wording vertelt, elk woord is hier eigenlijk één teveel. Dit is bij uitstek een beeld dat iets met je doet. Dat je in stilte op je in moet laten werken. 
Niet voor niets zei Van Straaten eerder in zijn werkkamer hoe intrigerend het is te zien hoe kunstenaars materiaal kunnen opladen met betekenis. Het maakt dat hij naast deze favoriet ook dol is op een werk dat je een tegenhanger zou kunnen noemen. Het piepkleine uiltje van Picasso (verkregen in 2003 met steun van de loterij), gemaakt uit gips en ijzerafval van de werkbank, een conservenblikje en een aardewerken bakje. “Mijn liefde voor beeldende kunst wordt gedreven door verbazing voor de manier waarop kunstenaars materiaal kunnen transformeren tot iets met zeggenschap”, zei hij. “De kunstenaar tart van alles. Als hij zoals Chris Booth dan ook nog de grenzen oprekt wordt dat nog spannender.” 


Met inmiddels ijskoude voeten lopen we door naar het Amfitheater van Marta Pan. Deze Hongaarse kunstenares is vooral bekend van het sculpture flottante Otterlo, de drijvende zwaan in de vijver die als icoon van de beeldentuin bekend is, een werk dat in 1960 en 1961 tot stand kwam. Aangekomen op het eind van haar leven schonk zij de beeldentuin een recente sculptuur. Enthousiast staat Van Straaten in het in spierwit graniet uitgevoerde amfitheatertje dat sinds het voorjaar 2007 de beeldentuin siert. “Hoor je, je krijgt hier ook meteen een mooi soort akoestiek”, galmt hij luid. “Dat mooie wit, grijzig gemengde graniet is schitterend als de zon er op schijnt. Je weet dan niet wat je ziet.”

Spookachtige rat
Op weg naar een kop warme erwtensoep in het museumrestaurant doorkruisen we de zalen van de gerestaureerde Van de Velde-vleugel. In een van de ruimtes ligt plat op de grond een reusachtige spookachtige rat, met een huid vol korstjes, die afschrikt maar tegelijkertijd door zijn ronde vormen iets aaibaars heeft. Verrukt vertelt Van Straaten hoe Tom Claassen (dezelfde kunstenaar van het rotsmannetje op het hoofdveld), de rat in zand boetseerde, met latex rubber overgoot, keerde, opvulde met piepschuim en met afgeronde randen aan elkaar naaide. “Ik vind dit enorm de verbeelding prikkelen. Je ruikt hem ook echt.” 

Het Kröller-Müller Museum ontving als één van de vier rijksmusea in 2007 ongeveer een miljoen euro van de BankGiro Loterij. Het belang van die bijdrage is enorm, vindt Van Straaten. “Het geeft ons de mogelijkheid hele bijzondere aankopen te doen en de collectie zo levend te houden. Het heeft onze ambities weer op een hoger plan getild. Je kunt daardoor opeens weer gaan dromen van een Picasso.”
Een laatste project dat Van Straaten tenslotte niet ongenoemd wil laten is de door de loterij gesteunde Museum Plusbus. Gedurende 250 dagen rijdt de Plusbus bewoners van ouderencentra naar verschillende musea in Nederland. Binnen een maand na de aankondiging waren al tweehonderd dagen volgeboekt. “Een geweldige kans voor mensen die soms nog nooit van hun leven in een museum zijn geweest”, vindt Van Straaten. Mede dankzij de BankGiro Loterij is dit jaar dus ook voor hen de ervaring weggelegd om omringd door bezielde materie de gestolde tijd te ervaren in het paradijs van Otterlo.