HET PAROOL De antropologie van weleer

Het tropenmuseum zit met een ongemakkelijke erfenis van de antropologie van weleer in zijn maag. Wat te doen met de rijen afgestofte schedels? Ik interviewde voor Het Parool conservator David van Duuren over dit dillema en vroeg Frank Westerkamp, auteur van het intrigerende 'El negro en ik' naar zijn visie. 


PIJNLIJKE HERINNERINGEN AAN DE ANTROPOLOGIE VAN WELEER

Het Tropenmuseum in Amsterdam zit met een ongemakkelijke collectie in de maag. De vergeten schedels, botten en andere stoffelijke resten van duizenden koloniale onderdanen wachten in het depot op een respectvolle bestemming. “Zij hebben er niet om gevraagd hier te eindigen.” Wat moet er mee gebeuren?

- Annemarie Geleijnse -

“De ene schedel is de ander niet”, weet David van Duuren, conservator van het Tropenmuseum. Samen met collega’s klaarde hij een niet zo fris klusje; het uitpakken en afstoffen van de vergeten collectie botten, beenderen en andere overblijfselen. Gekleed in een wit pak “met een snuitje voor” gingen de overblijfselen door zijn handen. Van Duuren: “De ene schedel zag er uit als antiek ivoor, prachtig glad en geel. Van een ander vielen de schilfers af en de tanden en kiezen eruit." De kies die op een dag in de trein uit zijn broekspijp rolde, moffelde hij gauw weg.
Het Tropenmuseum vergaarde deze lugubere verzameling tussen 1915 en 1964 toen het nog Koloniaal Instituut heette. Fysische antropologen legden een grote ijverigheid aan de dag in het verschepen van deze menselijke resten vanuit de koloniën naar de Mauritskade. In die tijd waren wetenschappers op zoek naar verschillen tussen rassen en gebruikten daartoe veelvuldig de meetlat. Op expedities werden leden van gevonden stammen schaamteloos opgemeten, van schedelomvang, tot neuslengte en kaak. Ook het verrichten van dit soort metingen op dode mensen, daartoe desnoods illegaal opgegraven was gangbaar. Gezocht werd naar mogelijke verbanden tussen deze fysieke kenmerken en verschillen in bijvoorbeeld intelligentie.

Afgestofte schedels
De hoeveelheid kartonnen dozen met daarin de afgestofte schedels, botten en andere stoffelijke resten van duizenden koloniale onderdanen in het depot van Tropenmuseum is indrukwekkend. Meterslang liggen ze kaarsrecht gesorteerd op planken in het depot. Daarnaast telt de collectie Chinese hersenen in weckpotten en Javaanse kinderen op sterk water. 
Geen verzameling waar men vandaag de dag nog trots mee voor de dag komt. De rassenkunde is, door de uitwassen van de Jodenvervolging in nazi-Duitsland en de Apartheid in Zuid-Afrika, allang in de ban gedaan. En het hele koloniale verleden is inmiddels met schaamte overgoten. Van Duuren: “Het gaat om koloniale onderdanen die er niet om hebben gevraagd hier te eindigen.”
Zo’n zes jaar geleden werd het Tropenmuseum plotseling geconfronteerd met deze ongemakkelijke erfenis van het verleden. Dertig jaar lang lag de collectie onzichtbaar opgeborgen in een kelder tussen de tweehoofdige kinderen en bochelaars van het anatomisch museum Vrolik. Het museum had de collectie ooit tijdens en verbouwing van het Tropenmuseum als bruikleen aanvaard, maar uiteindelijk zelfs nooit uit de dozen gehaald. Van Duuren: “Toen uit onze uitleenadministratie bleek dat er al dertig jaar een dergelijke collectie bij het museum Vrolik lag, hebben we per brief aangeboden de collectie te schenken.” Het anatomisch museum bedankte vriendelijk voor de eer. Jammer, want het Tropenmuseum liep toen de kans mis er op een geruisloze manier vanaf te komen. David van Duuren. “Dan had er geen haan naar gekraaid.” 

Niet netjes
Heel even overwoog het Tropenmuseum nog een weinig elegante oplossing voor de hele bottenhandel. Van Duuren: “Als je een kuil huurt op de Oosterbegraafplaats, kun je daar alles in begraven. Maar wij vonden dat niet netjes. Wereldwijd wordt gediscussieerd over het omgaan met menselijke resten in volkenkundige musea. Wij willen pro-actief inspringen op die discussie. Als er nabestaanden zijn die de resten opeisen, dan werken wij daar graag aan mee.”
Er liggen nog geen claims op de overblijfselen van de vooral Papoea-schedels en beenderen. Ook niet na de uitzending die Netwerk hier dinsdag aan wijdde. Wel kreeg Van Duuren al een telefoontje binnen van een medische student die graag wat wervels voor onderzoek zou gebruiken. “Voor dat soort wetenschap heeft de collectie nog wel waarde. Voor ons totaal niet meer. Maar we wachten nu eerst maar even rustig de discussies af voordat we beslissen.”
Het Tropenmuseum heeft er bewust voor gekozen de openbaarheid te zoeken en het debat aan te gaan. Nadat de collectie weer boven water was gekomen, is er in het geheim zes jaar besteed aan het inventariseren van de overblijfselen en het onderzoek doen naar de achtergrond van deze verzameling. De resultaten daarvan werden afgelopen weekeinde op een congres in Londen gepresenteerd en zijn met Van Duuren als hoofdauteur neergepend in het boek ‘Physical anthropology reconsidered’. (ISBN 9789068328257)
Overwogen wordt een afscheidstentoonstelling te organiseren onder de titel Goodbye to the fysical anthropology. Van Duuren: “Dat wordt geen knekelhuis vol enge lijken, maar een keurige tentoonstelling over vijftig jaar wetenschap.”

[kader]
Frank Westerman:
“Schedels Tropenmuseum houden ons een spiegel voor”


Het liep niet goed af met het eerherstel voor de opgezette, met stro gevulde Afrikaan, pikzwart van de schoensmeer die figureert in het bekroonde boek ‘El Negro en ik’ van schrijver en journalist Frank Westerman. El Negro belandde op ontluisterende wijze op een begraafplaats in het verkeerde land. Hoe ziet Frank Westerman het lot van de botten uit het Tropenmuseum?

Teruggeven, doneren aan de medische wetenschap of hier cremeren, zo luiden de opties. Wat heeft jouw voorkeur?
“Het lijkt mij dat eventuele nabestaanden daarover het meest te zeggen hebben. Victor Kaisiëpo, internationaal vertegenwoordiger van de Papoeas, komt toevallig zelf van het eiland Biak waar 1.225 schedels en resten opgegraven zijn. Hij kan wellicht een persoonlijke claim indienen als het om zijn verwanten gaat.”

Ben je niet bang dat een deel van de anonieme stoffelijke resten in Amsterdam een zelfde lot wacht als El Negro. Die werd in 2000 in Botswana herbegraven. In het verkeerde land, schrijf jij. En ook nog eens op een onwaardige wijze, afgepeld tot op het bot . . .
“El Negro is bij uitstek een voorbeeld van hoe het verkeerd kan gaan. Hij is overhaast, ondoordacht en op een pijnlijke manier overgedragen. Zijn huid is achtergebleven in Madrid, zijn speer ligt nog in het plaatsje Banyoles: uiteindelijk ging alleen een restje botten en een schedel naar Botswana. Daar kenden ze El Negro van de foto’s en kregen ze het gevoel opnieuw bedonderd te zijn. Nadat hij met veel ceremonieel en een vlammende speech was begraven, keek niemand er meer naar om. Ik verwacht dat hij binnen nu en tien jaar opnieuw opgegraven wordt om via DNA-tests verwanten aan te wijzen in waarschijnlijk Zuid-Afrika. Maar er zijn ook goede voorbeelden.” 

Zoals?
“Het skelet, de hersenen en schaamdelen van Saartjie Baartman, de ‘hottentot Venus’, zijn op waardige wijze vanuit Frankrijk naar Zuid-Afrika gegaan. Er waren verre verwanten betrokken in de onderhandelingen en haar resten zijn opgehaald door een delegatie Zuid-Afrikanen in Parijs. Ook de wijze waarop eind 2005 het getatoeëerde Maori-hoofd van het Volkenkundig Museum in Leiden aan het Te Papa-museum in Nieuw Zeeland is overgedragen, is een goed voorbeeld. Dat gebeurde met een plechtige toespraak van Medy van der Laan.”

Hier in een museum of daar. Feit blijft dat je je dan tegen betaling kunt gaan vergapen aan resten van mensen die daar niet om gevraagd hebben. . . Dat is toch juist waar jijzelf bij de aanblik van El Negro zo’n moeite mee had?
“Er hangt veel af van de manier waarop. Natuurlijk zijn er discussies over of zo’n tentoonstelling wel ethisch verantwoord is. Maar ik ben er geen voorstander van om dit soort dingen koste wat kost verborgen te houden. Het is een dooddoener om te zeggen dat je de totstandkoming van deze collectie in de tijd moet zien, maar zo is het natuurlijk wel. Nu noemen we het wetenschappelijk racisme, maar in de 19e eeuw waren wetenschappers oprecht geïnteresseerd in de verschillen tussen rassen. Het vakgebied was legitiem. En soms bijna liefdevol. De onbedorven, edele wilde werd als buitengewoon interessant studiemateriaal gezien. Het ging mis toen er aan rasverschillen ideologieën werden opgehangen.”

Een eventuele afscheidstentoonstelling in het Tropenmuseum juich jij toe?
“Ja. Wel als we op die manier iets te weten komen over de context. Waarom zijn die schedels verzameld? Met welk doel? Waar waren ze nog naar op zoek, zo lang nadat heersende opvattingen over rassenverschillen totaal achterhaald waren? Wat zegt dat over ons? Natuurlijk zit je dubbel fout wanneer je illegaal Papoea-graven leeghaalt en naar Europa verscheept binnen de ongelijke koloniale verhoudingen van destijds. Een tentoonstelling zie ik als een kans om dit deel van het verleden van de antropologie transparant te maken. Zoals ik ook in mijn boek heb gedaan, kan zo’n tentoonstelling ons een spiegel voorhouden.” 

Zien we in die spiegel dan niet vooral schuld en schaamte? Dat hele leegroven van graven, meten van schedels, etc. is toch tenenkrommend? Willen we daar mee worden geconfronteerd?
“Ik vind dat je dit onder ogen moet komen. Je moet het verleden niet onder het tapijt vegen. Voor de draad ermee! Ik denk dat veel mensen het vooral fascinerend vinden.” 


Het Parool, 12 maart 2007