UVA Uit 't veld: Talloum

In 2000/2001 verbleef ik voor veldwerk enkele maanden in de Casamance in het Westafrikaanse Senegal. Ik deed onderzoek naar de etnische identiteit van de Diola, een minderheidsgroep in de door een onafhankelijkheidstrijd geteisterde regio. In mijn afstudeerscriptie nam ik losse veldwerknotities op onder de noemer Uit 't veld. HIeronder een voorbeeld.
Mijn hele scriptie is te lezen op
http://www.scriptiesonline.uba.uva.nl/224277


Kamperen bij de boer

De schuttersput bij de ingang van Bignona ligt nog maar net achter ons, als we een onverhard pad inslaan. De suïcidale chauffeur van de gammele taxi legt het loodzware gewicht van al zijn problemen op het gaspedaal. Slippende banden in het rode zand. Het pad is af en toe zo smal dat zelfs een fiets er met moeite doorheen zou kunnen. Op naar Talloum en Brindiago, de dorpjes waar mijn in Parijs wonende vrienden Adema en Famara Badji vandaan komen.
Door het stoffige zijraam trekt een idyllisch tafereel aan me voorbij. Dromerige hutjes in het warme licht van de ondergaande zon, uitgestrekte rijstvelden, reusachtige bomen. De geur van gekneusde mintbladeren.
De zon heeft plaatsgemaakt voor de maan als we eindelijk op het erf van de familie Djiba in Talloum arriveren. Ik word warm ontvangen door de 88 jaar oude Toumani Djiba - de vader van Seckou Djiba (neef van mijn vriendin Adema) – en de zonen en hun vrouwen die hier wonen. Een lange rij kinderen met aangekoekte snotneusjes, schudt me beleefd de hand. Met de enige stoel van de familie onder mijn kont zit ik als de koningin van de Casamance te genieten van de geluiden van de bush. Het maanlicht werpt haar schaduwen, onder het silhouet van de trotse boom midden op het erf worden matten uitgerold. Geitjes en kippen huppelen vrij rond. Een schaal met rijst en pindasaus wordt aangerukt. Het grote lemen huis sprookjesachtig verlicht door olielampen.
Het is al middernacht als ik samen met Seckou’s dochter Diarra aanschuif in een bed waar al twee kindjes liggen. Mannen en vrouwen lopen in en uit, via onze kamer zijn weer andere kamers te bereiken.
Na een weerzinwekkend rijstepap ontbijt, lopen we de volgende morgen over een klein paadje naar het erf van de buren. Uit een van de drie huizen, komt een oude man – gekleed in een verschoten Thiaya (broek met hangend kruis) en een mutsje op zijn hoofd – ons tegemoet. Lang en hartelijk schudt hij mijn hand, zijn door staar blauw geworden ogen boren zich in de mijne. De vader van Adema; N’Fally Djiba. Hij is blij dat een vriendin van zijn dochter helemaal naar Talloum is gekomen, tolkt Diarra.
We gaan vrijwel direct verder, want een lange wandeling wacht ons. In straf tempo wandelen we naar het uitsluitend te voet bereikbare buurdorp Brindiago, het dorp waar Adema’s man Famara Badji vandaan komt. De natuur is overweldigend, alles wat hier groeit lijkt wel eetbaar. Seckou slooft zich uit om me de geneugten van zijn omgeving te doen proeven. Pinda’s, heerlijke guaves, het naar chocolade smakende vruchtje koudjinkeuc. Seckou lijkt iedere grasspriet te kennen. Wijst me de Islamitische begraafplaats, voor buitenstaanders onherkenbaar. Wijst de boom waaronder het lichaam van Adema’s in Parijs overleden zwager rust en die waaronder dat van haar neef en mijn vriend N’faly Badji.
We passeren pindavelden waar een grote groep mannen luid krijsend, al ploegend een race naar de overkant inzet. Veel gelach en vrolijkheid, het zware werk is tot spel verheven. Seckou roept de mannen en stelt me voor. Het blijken stuk voor stuk broers en neven van Famara te zijn.
Dwars door de rijstvelden, de smalle dijkjes ertussen vormen de evenwichtsbalk waarover we ons pad vinden. Zo arriveren we bezweet en vermoeid in Brindiago bij het huis waar Famara is geboren, de boom waaronder zijn huwelijk met Adema is gevierd. Een half jaar later, als Adema gast is op mijn eigen bruiloft in Amsterdam, staat deze plek nog altijd op mijn netvlies getatoeëerd. Haar cultuurschok moet ongeveer net zo groot zijn geweest als de mijne.
We liggen eindeloos lang op een mat. Ik kijk en kijk en kijk naar deze surrealistische film waarin ik zelf meespeel. De geuren, geluiden, beelden; alles is nieuw, alles staat mijlenver van de wereld zoals ik die ken.
De terugweg is zwaar. We zijn zwaarbeladen met kilo’s rijst, pinda’s, vruchten en levende kippen die me cadeau zijn gedaan. De kleine Idrissa kan zijn lol niet op. Hij lacht me voortdurend uit. Om de truttige manier waarop ik de kippen - bungelend met de poten aan een tak gebonden in plaats van met een uiterst houdbaarheidslabeltje in keurig plastic verpakt – draag en om mijn angst voor de slangen die ik bij de nu snel invallende nacht niet meer kan spotten. Evenwichtsbalk met handicap dit keer. Door mijn van het zweet beslagen bril zie ik hoe Seckou, gekleed in een ridicuul dik knalroze ski-jack, zijn voorsprong steeds verder vergroot.
Door de velden wandelen we naar de rivier, uit de verte komt een van de vrouwen van Famara’s familie aangesneld. Hijgend biedt ze me een trosje rijst aan. Verlegen bedank ik - Abacar - ondertussen de taalbarrière vervloekend die ons scheidt.
Weer terug in mijn tijdelijke thuis – kamperen bij de boer op zijn Diolas – ben ik bekaf; van het lopen en alle indrukken.
Als ik de volgende ochtend uit een diepe slaap ontwaak, zijn mijn bedvriendinnetjes met hun zure luierlucht al vertrokken. Lui rek ik me uit om de extra ruimte in te nemen. Met een schok kom ik dan in de privacyontberende realiteit van het veldwerk terug. De vrolijke herrie van krijsende vrouwen en kinderen op het erf, wordt overstemd door het luide gesmak van een mij onbekende man die pal naast mijn bed gehurkt een bord rijst zit leeg te eten. Een ander, de blote benen in kaplaarzen gestoken met een kapmes in zijn hand, steekt zijn vrije hand door de klamboe om me te begroeten. Het blijkt de voorbode van een lange rij mannen die op weg naar de velden om pinda’s te oogsten, met eigen ogen komt verifiëren of het echt waar is dat in het huis van Toumani Djiba een vrouw uit Nederland logeert.